voetnoot

In de benen! Onderzoek bedrijfssport

10-10-2012

Het klinkt zo leuk: een sportprogramma op het werk. Lekker een stukje fietsen of uurtje fitnessen met collega's en nog fit en vitaal blijven ook. Veel organisaties `doen' aan bedrijfssport. In de praktijk blijft het aantal inschrijvingen vaak achter. Hoe krijg je werknemers zover dat ze wél deelnemen aan bedrijfssportprogramma's? Dat ze hun sport- en beweeggedrag veranderen? Mark Janssen deed bij ons onderzoek naar de beweegredenen van werknemers om niet deel te nemen aan bedrijfssportactiviteiten. Op basis daarvan formuleert hij een aantal handvatten voor een succesvolle inrichting van bedrijfssportactiviteiten.

Auteur: Mark Janssen. Gepubliceerd in: Arbo Magazine oktober 2012

Een sluipmoordenaar. Zo bestempelen TNO en PWC in recent onderzoek het zittende bestaan van veel Nederlandse werknemers. Chauffeurs, kantoorklerken, laboranten: ze brengen een groot deel van de dag zittend op een stoel door. En lopen daarmee kans op chronische aandoeningen aan bijvoorbeeld rug en schouders. Tegelijkertijd heeft de BV Nederland behoefte aan mentaal en fysiek fitte werknemers. Deze behoefte neemt, met het oog op de vergrijzing, de verhoging van de AOW-leeftijd en de verwachte krapte op de arbeidsmarkt, alleen maar toe. Sport en beweging hebben een belangrijk positief effect op het welbevinden van werknemers. Wie zich regelmatig inspant, voelt zich lichamelijk en geestelijk beter. En krijgt minder snel te maken met (chronische) gezondheidsklachten. Ook de economische gevolgen liegen er niet om.

Geschat wordt dat in Nederland ongeveer 1,4 procent van de volksgezondheidsuitgaven kan worden bespaard als mensen voldoende bewegen. Dat komt neer op 805 miljoen euro per jaar. Feit is, dat de Nederlandse beroepsbevolking onvoldoende beweegt! Hoe bereik je die 7,4 miljoen werknemers, in het bijzonder degenen die zittend werk verrichten en onvoldoende bewegen? Partijen als het Diabetes Fonds en het NISB weten het wel: via de werkgevers. Zij hebben rechtstreeks toegang tot de doelgroep, zij zouden hen kunnen stimuleren om meer te sporten en te bewegen.

Beweegredenen

Er zijn legio bedrijven die sport- en bewegingsactiviteiten op de werkvloer organiseren. En daarvoor hebben ze allemaal hun eigen redenen. Sport & Zaken, een stichting die in samenwerking met sportbonden bedrijfssportprogramma's aanbiedt, onderscheidt vier motieven. Bedrijfssport draagt bij aan teambuilding, vergroot het energieniveau van werknemers en daarmee hun productiviteit op de werkvloer, zorgt voor een positieve in- en externe merkassociatie en draagt bij aan de mobiliteit en vitaliteit van werknemers.

Dit alles maakt bedrijfssport tot een mogelijke oplossing voor de hierboven geschetste maatschappelijke problemen. In de periode 1996-2008 is een groot aantal bedrijven en instellingen gestart met bewegingsstimuleringsactiviteiten op de werkvloer, zo blijkt uit cijfers van TNO. In 2010 ontstond echter een dip in het aantal initiatieven dat organisaties op dit vlak ontplooien. De animo van werknemers om deel te nemen aan sport- en bewegingsactiviteiten is ook niet erg groot. Het grootste deel van het personeel neemt, om wat voor reden dan ook, geen deel aan dit soort activiteiten.

Geen groot publiek

Ook Sport & Zaken, dat sportprogramma's organiseert voor bedrijven als Ernst & Young, afvalverwerker Sita en verzekeraar Nationale Nederlanden, constateerde op enig moment dat dergelijke programma's geen enorm publiek trokken. Verbazingwekkend, want uit eigen onderzoek onder ruim 10.000 werknemers, de zogeheten SportScan, blijkt dat er wel degelijk behoefte is. Sport & Zaken liet vervolgens onderzoek doen naar de achterliggende oorzaken. In het kader van dat (kwalitatieve) onderzoek zijn werknemers die niet deelnemen aan het bedrijfssportprogramma gevraagd hoe zij aankijken tegen een sportprogramma van de werkgever en welke factoren bepalend zijn voor eventuele deelname. Niet onbelangrijk: het grootste deel van de respondenten zijn mensen die ook in de privésfeer al geruime tijd niet hebben gesport. Sport & Zaken hoopte met de uitkomsten van dit onderzoek werkgevers handvatten te kunnen bieden voor een succesvolle inrichting van sportprogramma's. Het kwalitatieve onderzoek laat drie belangrijke conclusies zien. Allereerst hebben werknemers geen goed beeld van de effecten van het programma. Daarnaast is niet iedere werknemer overtuigd van het belang van sport voor een goede gezondheid. Ten slotte sluit het aanbod niet altijd even goed aan bij de behoeften van werknemers. Deze drie conclusies worden hieronder nader toegelicht.

Onduidelijke resultaten

Werknemers staan over het algemeen positief ten aanzien van bedrijfssport, zelfs als ze er zelf niet direct bij betrokken zijn. Ze hebben er doorgaans ook weinig moeite mee dat hier tijd en geld in wordt gestoken. Alleen: werknemers vragen zich wel af of de aangeboden sportactiviteiten daadwerkelijk bijdragen aan gezondheidsverbetering en verzuimreductie. In sommige gevallen vragen zelfs de trekkers van het programma zich wel eens af welk effect het sportprogramma precies heeft. Als organisaties niet goed duidelijk maken wat de meerwaarde is van bedrijfssport, groeit de scepsis. Die kan zich uiten in een kritische houding ten aanzien van bedrijfssport.

Relatie sport en gezondheid

Bedrijfssportcoördinatoren hebben vaak een ander beeld van de relatie tussen sport en gezondheid dan werknemers die niet meedoen aan het programma. Voor de coördinatoren zijn voldoende sporten en een goede gezondheid onlosmakelijk met elkaar verbonden. Maar de relatie tussen sport en gezondheid wordt niet door alle werknemers direct (h)erkend. Zo gaf een van de respondenten aan dat goede voeding en voldoende slaap in haar ogen beter zijn voor haar gezondheid dan drie keer in de week sporten. Deze werknemer en ook anderen zullen zich weinig tot niet aangesproken voelen door de `gezondheidsboodschap' waarmee bedrijfssport wordt gepromoot.

Discrepantie vraag en aanbod

De belangrijkste reden om überhaupt niet te sporten, heeft te maken met een gebrek aan intrinsieke motivatie: mensen kunnen het niet opbrengen om te gaan sporten, of hebben gewoon geen zin. Werknemers die wel gemotiveerd zijn maar geen gebruikmaken van bedrijfssport, geven vaak aan dat het aanbod onvoldoende aansluit bij hun behoeften. Ook zijn er respondenten die wel willen sporten, maar niet met werkgever of collega's. Zij vinden het programma vaak te disciplinerend. En er zijn werknemers die gewoon geen zin hebben om in hun vrije tijd iets te ondernemen dat in relatie staat met de werkomgeving.

Wat levert het op?

Zijn er op basis van het onderzoek concrete aanbevelingen te formuleren voor werkgevers die niet-deelnemers willen betrekken bij hun bedrijfssportprogramma? Ja. Belangrijk is allereerst dat organisaties voor zichzelf vaststellen welke interne doelgroepen ze willen aanspreken en hoe ze dat willen doen. Daarvoor is het van belang dat zij zicht hebben op wat werknemers beweegt - letterlijk en figuurlijk. In aanvulling op die doelstelling zouden werkgevers inzichtelijk moeten maken wat de daadwerkelijke effecten zijn van bedrijfssport. Juist in economisch slechte tijden komt op enig moment vanuit directie of personeel de vraag wat bedrijfssport nu eigenlijk oplevert. Die vraag kun je maar beter voor zijn. Een andere aanbeveling is om het sportprogramma niet alleen vanuit het gezondheidsaspect in te steken. Niet elke werknemer relateert sport per definitie aan gezondheid. En niet-deelnemers die zichzelf gezond genoeg vinden of geen last hebben van hun slechte gezondheid, voelen daardoor geen noodzaak om deel te nemen. Een sterke nadruk op sporten als voorwaarde voor een goede gezondheid wordt door deze werknemers soms zelfs als disciplinerend ervaren. In plaats hiervan zouden werkgevers beter kunnen focussen op de intrinsieke motivatie van werknemers.

Individuele voorkeuren

In plaats van activiteiten op te leggen, zouden werkgevers (nog) meer aandacht moeten besteden aan de individuele voorkeuren van werknemers. Dat kan op twee manieren. Allereerst door aansluiting te zoeken bij de behoeften van werknemers. Niet-deelnemers geven vaak aan dat de aangeboden sportvormen of programma's onvoldoende aansluiten bij hun wensen of persoonlijke omstandigheden. Een deel van hen zal door een vrijere sportvorm gestimuleerd kunnen worden om het sport- en beweeggedrag aan te passen. Hierbij kan gedacht worden aan een (financiële) tegemoetkoming die werknemers kunnen gebruiken voor het lidmaatschap van een plaatselijke sportvereniging of bijvoorbeeld deelname aan het Start to Run-concept van de Atletiekunie. Een dergelijke sportvorm kan een mooie aanvulling zijn op bestaande sportprogramma's waarbij er op vaste tijden met collega's op de werklocatie wordt gesport. Een zorgvuldige monitoring en evaluatie van dergelijke vrije sportvormen is uiteraard van belang.

Bedrijfsdoelstellingen

Er zijn nog meer mogelijkheden om het bedrijfssporten op een niet-disciplinerende manier te promoten. Bijvoorbeeld door aansluiting te zoeken bij bedrijfsdoelstellingen die breed worden gedragen binnen de organisatie. Zo volgden de werknemers van de verkoopafdeling van een van de onderzochte bedrijven een golfcursus, met als primair doel dat zij in de toekomst met (potentiële) klanten kunnen gaan golfen. Op die manier wordt een sportprogramma behalve aan HR-doelstelllingen ook gekoppeld aan specifieke afdelingsmotieven. Een ander voorbeeld is de judocursus die werknemers met een loketfunctie volgden om hun weerbaarheid te verbeteren. Dit soort `bedrijfstrainingen' zullen ook werknemers met een negatieve sportattitude bewegen deel te nemen. Insteek is immers niet zozeer iemands persoonlijke verantwoordelijkheid (gezondheidsverbetering), maar juist de groepsverantwoordelijkheid: bedrijfssport als manier voor een afdeling om zich te ontwikkelen. Sporten als leuke en zinvolle tijdsbesteding staat centraal, vitaliteit wordt in het kielzog meegenomen. En het personeel wordt niet zozeer aangesproken op hun gedrag als wel toegerust om hun werk beter te doen.

Resumerend.

Het is een utopie om bij bedrijfssportactiviteiten 100 procent opkomst te realiseren. Dat laat onverlet dat er op het gebied van deelnamecijfers nog veel winst te behalen valt. De animo is op dit moment nog lang niet op het niveau waar het zou kunnen en zou moeten zijn. Bedrijfssportaanbieders en werkgevers zullen daarvoor als eerste stap samen moeten aantonen wat de effecten van sportprogramma's zijn. Verder moeten zij behalve oog voor bedrijfsdoelstellingen ook oog hebben voor de werknemer: wat vindt hij leuk? Door zo goed mogelijk aansluiting te vinden bij de behoeften van het personeel, ervaart de werknemer bedrijfssport waarschijnlijk minder als iets wat hem wordt opgelegd, maar meer als iets waarvoor hij zelf heeft gekozen. Wat volgt is een succesvol bedrijfssportprogramma dat alleen maar winnaars kent!

Meer weten?

Heeft u naar aanleiding van dit artikel vragen of wilt u meer informatie over bedrijfssport, dan kunt u contact opnemen met Mark Janssen bij Sport & Zaken via mark@sportenzaken.nl of telefoonnummer (026) 483 44 82. www.sportenzaken.nl.